CT-scan, MRI en PET-scan bij multipel myeloom

Wat zijn de verschillen tussen een CT-scan, MRI en PET-scan en wanneer wordt wat ingezet bij multipel myeloom?

CT-skelet

Door multipel myeloom kunnen ‘haarden’ ontstaan in de botten. Deze kunnen klein zijn, maar ook groot. De medische term voor deze haarden is osteolytische laesies. Osteolyse betekent letterlijk: het oplossen van het bot. Zo’n osteolytische laesie kan tgv de behandeling 'uitdoven', waarbij het evenwicht tussen de osteoclasten en osteoblasten weer hersteld is. De myeloomcellen zijn dan niet meer actief op deze plek. Op de plek van een dergelijke oude osteolytische haard ontstaat littekenweefsel en ook deels nieuw bot. Maar de haarden blijven als een litteken wel levenslang zichtbaar op CT-skelet.

Met een CT-skelet worden de botten van het gehele skelet bekeken, waarbij je goed kan zien of er in het skelet osteolytische laesies (bothaarden) bestaan. 

Wat is dan een PET-CT-scan?

Een PET-CT is een gecombineerd onderzoek; er wordt zowel een PET-scan, als een CT-scan gemaakt. Op een PET-scan kunnen actief delende cellen worden onderscheiden van gezonde, of uitgedoofde cellen. Met de CT-scan zijn de botten te zien, en met de PET-scan de actieve plekken. Deze plekken ‘lichten op’. De scans worden over elkaar heen gelegd door de radioloog of nucleair geneeskundige en kunnen zo gelijktijdig worden beoordeeld.

Met een PET-CT scan zijn dus actieve bothaarden te onderscheiden van uitgedoofde haarden. Als een bothaard actief is, is deze plek vaak pet-avide op de scan (dat zijn de 'lichtgevende' plekken op de scan), maar een uitgedoofde haard is niet meer pet-avide, en licht dus niet op. Bij patiënten met uitgebreide botbetrokkenheid wordt daarom nog wel eens gekozen voor een PET-CT-skelet in plaats van een CT-skelet, om het onderscheid tussen nieuwe en actieve haarden met oude of inactieve haarden beter te kunnen maken. 

Voor de PET-scan krijg je een licht radio-actieve stof ingespoten, FDG genoemd. Dit is een stof die op suiker lijkt. De actieve myeloomcellen nemen deze stof op dezelfde manier als suiker op. De meeste myeloomcellen hebben een hoge stofwisseling en gebruiken veel suiker (koolhydraten). Daardoor nemen deze myeloomcellen meer radioactieve stof op dan de gezonde cellen. Zo kan er dus onderscheid worden gemaakt tussen actieve plekken en niet actieve plekken. 

Overigens is het zo dat de radioactieve stof voor een groot deel reeds uit je lichaam is verdwenen direct na het verrichten van de scan. Het maken van een PETscan is niet gevaarlijk. Ook niet voor je omgeving. 

Een nadeel is dat spieren die erg actief zijn ook veel suiker opnemen. Dat geldt ook voor cellen met ontstekingen of die een infectie hebben. Dat is dan soms moeilijk van activiteit tgv myeloomcellen te onderscheiden. Ook is het zo dat niet bij elke patient de actieve bothaarden ook daadwerkelijk pet-avide zijn. Voor deze patienten heeft de PET-CTskelet dus ook geen toegevoegde waarde boven de CTskelet. Tot slot is het ook niet altijd nodig een PET-CTskelet te maken, omdat de CTskelet voor de meerderheid van de patienten reeds de benodigde informatie oplevert.

MRI-scan

Op een CT-skelet kunnen botten goed worden beoordeeld, maar zenuwen zie je niet op deze scan. Wanneer het nodig is ook de zenuwen goed in beeld te brengen, bijvoorbeeld wanneer het vermoeden bestaat dat er vanuit een bothaard druk op zenuwen bestaat, dan kan er gekozen worden voor een MRI. Op een MRI kunnen botten ook beoordeeld worden, maar op een andere manier dan op CT. Wanneer het voornamelijk om beoordeling van de botten gaat, dan heeft de CT-skelet de voorkeur, wat op dit moment dan dus ook de gouden standaard is bij diagnose multipel myeloom.