'Dag Danielle, wij kennen elkaar via Máxima.'

Bart

'Van het Binnenhof, natuurlijk. Van het persvak. Van wachten achter rood-witte linten tot het nieuws voorbijloopt.'

Toen Bart van Eldert hoorde dat zijn collega Danielle Pinedo ook kanker had, schreef hij haar een brief. Bart is journalist van het Algemeen Dagblad, Danielle schrijft voor NRC Handelsblad. De brief was het begin van een uitgebreide correspondentie. Van een vriendschap. Van een boek, waarin twee patiënten elkaar vertellen over ziek zijn en daarna: 'Beter worden is niet voor watjes'. 'Als verslaggevers zonder medium.' Danielle had eierstokkanker, Bart heeft chronische myeloïde leukemie. Danielle geniet, voor haar ziekte, vooral van haar werk. Bart van het leven.

Uit het boek: 'Waarom gelooft niemand dat ik geniet van elke dag? Ja, ik moet genieten 'nu het nog kan.' Van de kleine dingen 'die ik nog heb.' Bezweringen en toverformules van vrienden en kennissen die zelf veel te gezond zijn om daar allemaal van te genieten. Hebben ze helemaal geen tijd voor.

Zo kroop ik jaren geleden in de file naar de krant. Bij de koffieautomaat kwam ik een collega uit dezelfde file tegen. Het was nog geen zeven uur en de stoom kwam al uit zijn oren. Ik vond het zeker ook een schande? Nou, ik had de rozevingerige dageraad gezien, de zomerzon langzaam zien opklimmen boven de weilanden naast de snelweg en aan een gedicht gedacht, hoe heerlijk het is hier te zijn. Had hij allemaal gemist.'

In de eerste helft van het boek is Bart af en toe streng voor Daniëlle. Hij lijkt niet tevreden met de manier waarop zij patiënt is. 'Ik sta zelf gemakkelijker in het leven. Daniëlle had moeite met ziek zijn, ze had angst voor de dood. Ze vond doodgaan lastiger dan ik. Dat is een groot verschil, denk ik. Het eerste telefoontje dat ze pleegde toen ze hoorde dat ze kanker had was naar haar chef: "Ik kan even niet werken." Op het moment van haar ziekte werd ze geconfronteerd met het idee: ik heb alleen maar gewerkt. Ik heb daar met mijn brieven wat in geprikt.'

Uit het boek: 'Deze week heb ik thuis een stevige tak naast het vogelbadje in de aarde geplant. Vanaf de bank in de woonkamer zie ik nu alledaagse schoonheid langskomen. Het nerveus hippende winterkoninkje, een druktemaker met kraaloogjes. De buitelende bonte specht, een clowntje met de veren glanzend van vitalisme.

Een vogelaar ben ik niet. Overal waar de schoonheid niet dicht bij mij kan komen, plant ik zelf een stevige tak. In de wachtkamer, bij de transfusie, in de laatste minuten voor de uitslag. Ik plant er mijn tak en lok haar naar me toe.'

'Ik sta zelf gemakkelijker in het leven. Waar ik ook ben, ik laat de schoonheid naar me toekomen. In het ziekenhuis, in de wachtkamer op de verkeerde afdeling zitten mensen altijd treurig te wachten. Ik nam altijd een boek mee, al ging het lezen niet zo hard. Daardoor had ik in het ziekenhuis andere gesprekken. Over dat boek. Ook met artsen. Zij vroegen om vakantietips, qua boeken. Depressief te gaan zitten zijn is zonde van de tijd, zonde van het leven. Nee, dat is geen ontkenning. Mijn arts zei tegen me: "Je weet wat er aan de hand is, je begrijpt waar het over gaat, dan is dit ook een manier om ermee om te gaan."

Dat merkte ik ook toen ik bloedingen kreeg. Die horen bij mijn ziekte, bloedingen en blauwe plekken. Als je zo'n bloeding bij je neus krijgt dan spuit het eruit. Je moet dan 'bijgevuld' worden met een bloedtransfusie. Je mag naar de spoedeisende hulp, hup, slagboom door, meteen naar binnen. Zo'n bloeding krijg je nooit netjes om tien uur 's ochtends, maar bij voorkeur tegen etenstijd. Om de hoek bij de spoedeisende hulp zit het restaurant. Ik haalde daar jus en een kaascroissantje. Toen mijn naam door de wachtkamer geroepen werd, stak ik mijn kaascroissantje omhoog. Dat leverde een verbaasde blik op: ze verwachtten een paniekerige leukemiepatiënt en geen man die van een kaascroissantje zat te genieten.'

De rolverdeling lijkt te veranderen als het leven van Bart en Danielle in rustiger vaarwater komt. Danielle is kankervrij, Bart heeft chronische maar stabiele leukemie. Bart moet er aan wennen dat het stiller wordt in zijn wereld, die toch al klein is. Dat zijn moeder niet meer klaar zit met thee, als hij terugkomt van een ziekenhuisbezoek.

Uit het boek: 'Nu is het van: "O, heb je weer een afspraak?" Nou, zij ook. De boekenclub, de museumclub, ergens godbetert hérten kijken met andere überfitte bejaarden. Maar het doet nog steeds pijn, hoor!'

'Terug naar het werk was voor Danielle een kwestie geweest van goed opbouwen. Het was voor mij lastiger vanwege de bijwerkingen. Als je weer gaat werken, loop je met een andere manier op je beperkingen aan. Al die fysieke klachten – botpijn, spierpijn, tintelende vingers en tenen – zijn ook vermoeiend. Voordat ik ziek werd liep ik veel hard. Wel veertig, zestig kilometer per week. Nu sta ik af en toe op alsof ik al vijftien kilometer heb hardgelopen. Dat is in combinatie met werken best ingewikkeld.'

Uit het boek: 'Wat ik ook ben: te jong. Ik ben te jong om mij over te geven aan de bejaarde man die altijd met mij meeloopt. Te jong voor die langzame tijd, de trage bewegingen in de wachtkamer en op steeds te kleine wandelingen. Te jong voor de grote grijze rij in de apotheek. Ik wel meedoen, meeleven, in mijn eigen leeftijd.'

'Ik zei tegen de bedrijfsarts: "Ik ga hoog mikken." Maar hoe moeilijk het is om weer te werken, dat kun je erg onderschatten. Letterlijk moeilijk: ik moest nadenken hoe de slagboom ook al weer open ging. Wat ik precies bij de ingang moest doen. Aanbellen bij je eigen bedrijf, te stom om de deur open te krijgen.

Ook dan geldt dat beter worden niet voor watjes is. Op je werk zitten allemaal mensen, gezonde mensen, druk en levendig te doen. Ik vond het bijzonder om gezonde mensen in hun eigen habitat te zien. Heel gek als je dat niet meer gewend bent. Ik kwam uit een wereld waar alles ziek is, en kaal. En dan kom je op je werk en daar is iedereen hard aan het werk. Druk, grappen maken. Je moet je realiseren dat het een heel andere wereld is.

Het helpt om begrip te hebben voor gezonde mensen. Ze willen wel rekening met je houden, maar het is niet gemakkelijk. "Kom, we gaan even lunchen." Maar waar zij met gemak twee trappen nemen, moet jij met de lift. Wat ook helpt als je weer gaat werken: vraag hoe het met andere mensen is. Zij maken ook dingen mee. Je kunt dan wel gezond zijn, maar dat betekent nog niet dat je leven perfect is. Het is belangrijk om ook daarvoor open te staan. Draai het om! Zelfmedelijden is je grootste vijand. Trap er niet in. In elk geval niet langer dan een paar dagen. Mopperen mag, maar je moet er ook mee stoppen.'

Tekst Liesbeth van de Heijden | Beeld Paul Bisschop

Meest gelezen

Andere ervaringen

  • Giuseppe

    Trots laat Giuseppe een fles zien met zijn familienaam op het etiket. De...
  • Marlies

    Zeker, Marlies van Dalen heeft last van late effecten van haar...
  • Daphne

    Alleenstaande moeder van een dreumes, een drukke baan en dan kanker...
  • Gerlof

    Gerlof Bril kreeg bij zijn diagnose meteen de associatie met het boek...