AML - behandeling

 

Bij AML moet er altijd snel worden ingegrepen. Toch is het belangrijk dat jij en je hematoloog goed met elkaar bespreken wat het doel van de behandeling is, welke behandeling wordt voorgesteld en wat de bijwerkingen zijn op de korte termijn, maar ook op de lange termijn. Het is goed om samen een behandelplan op te stellen waarin alle zaken die van belang zijn worden vastgelegd. 

Doel van de behandeling

De behandeling van AML is erop gericht om met intensieve chemotherapie een complete remissie te bereiken. Dat betekent dat er geen leukemiecellen meer te vinden zijn in bloed en beenmerg. Complete remissie is niet hetzelfde als genezing. Na het bereiken hiervan komt bij een deel van de patiënten de ziekte toch terug (er treedt een recidief op). Daarom volgt er na het bereiken van een complete remissie altijd nog een behandeling met als doel de kans op terugkeer van de ziekte te verkleinen. 

Expert raadplegen

AML is een ernstige aandoening, die de nodige expertise vereist voor een op maat gemaakte behandeling. Het kan nodig zijn om voor de behandeling naar een ander ziekenhuis te gaan, waar meer ervaring met de behandeling van AML is. Daarnaast is het goed om te weten dat er in Nederland expertisecentra zijn, waar elk ziekenhuis raad kan vragen over de juiste hematologische zorg voor hun patiënten. In alle gevallen is het goed dat overleg met een expertisecentrum plaatsvindt voordat er met de behandeling wordt gestart. Heeft je hematoloog je niet over zo’n overleg verteld? Vraag er gerust naar.

Chemotherapie

De behandeling bij patiënten die fit zijn bestaat uit chemotherapie.

Geneesmiddelen (cytostatica) die daarbij gebruikt kunnen worden zijn:

  • cytarabine
  • daunorubicine of idarubicine
  • etoposide
  • mitoxantrone

Meestal krijg je een combinatie van deze middelen. Na de eerste chemokuren volgt een aanvullende behandeling. Die kan bestaan uit een derde chemokuur en autologe of allogene stamceltransplantatie. Dit is afhankelijk van het risicoprofiel van het type AML en de 'fitheid' van de patiënt. Als complete remissie is bereikt, kan nog steeds een klein aantal leukemiecellen voorkomen. Deze leukemiecellen moeten worden vernietigd om te voorkomen dat de leukemie weer snel terug­keert. 

Chemotherapie voor het zenuwstelsel

Acute myeloïde leukemie verspreidt zich heel soms naar de hersenen. Rond de hersenen en het ruggenmerg zitten de hersenvliezen. Tussen de hersenvliezen zit hersenvocht. Hersenen en ruggenmerg vormen het centrale zenuwstelsel. Heeft de AML zich verspreid naar de hersenen, dan behandelt de arts dit met aparte chemotherapie voor het zenuwstelsel. De gewone chemotherapie kan het zenuwstelsel niet goed bereiken. Ook de leukemiecellen die daar aanwezig zijn, worden met gewone chemo niet bereikt. De arts dient daarom regelmatig rechtstreeks in het ruggenmergkanaal chemotherapie toe. Dit doet hij via een ruggenprik. Voor een ruggenprik verdooft de arts de huid. Daarna prikt hij met een naald tussen de wervels door in de hersenvochtruimte. Ruggenprikken kunnen erg pijnlijk zijn. Zijn deze prikken erg moeizaam, dan kan de arts een klein kunststof kastje onder de huid van het hoofd aanbrengen. Dit heet een Ommaya-reservoir. Via dat reservoir kan de arts de medicijnen dan makkelijker toedienen.

Stamceltransplantatie

Bij een aantal subtypes van AML en wanneer de patiënt niet te oud en in goede conditie is, volgt er na de chemokuren nog een stamceltrans­plantatie. Dat kan een autologe of een allogene stamceltransplantatie zijn. 

Een autologe stamceltransplantatie gebeurt met stamcellen van de patiënt zelf. Dat kan alleen als er geen aantoonbare leukemie meer is. Een allogene stamceltransplantatie gebeurt met stamcellen van een geschikte donor, bij voorkeur van een familielid. Er kunnen ook stamcellen van een niet-verwante donor worden gebruikt en ook is gebruik van navelstrengbloed mogelijk.

Het voordeel van een allogene stamceltransplantatie is, dat de donor­stamcellen die uitgroeien tot afweercellen (T-cellen) nog resterende leukemiecellen kunnen opruimen. Nadeel is dat deze T-cellen weefsels en organen van de patiënt als vreemd zien en deze gaan aanvallen (graft-versus-hostziekte). Om het aanslaan van het transplantaat te bevorderen, krijgt de patiënt medicijnen die de afweer remmen. Deze medicijnen remmen ook de graft-versus-hostreactie. 

Niet-ablatieve transplantatie

Bij de gewone stamceltransplantatie worden het beenmerg en het afweersysteem van de patiënt volledig uitgeschakeld door bestraling en chemotherapie. Bij een niet-ablatieve transplantatie worden het beenmerg en de afweer niet volledig vernietigd. De hoop is dat de afweercellen van de donor de resterende leukemiecellen opruimen. Deze vorm van transplantatie is minder belastend voor de patiënt.

Radiotherapie

Bestraling kan een onderdeel zijn van de behandeling als een ophoping van leukemiecellen ernstige klachten geeft. Bijvoorbeeld een ophoping in het zenuwstelsel. Of als chemotherapie die leukemiecellen niet goed bereikt.

Immuuntherapie

Momenteel wordt toepassing van immuuntherapie bij de behandeling van AML getest. De antistoffen richten zich tegen de oppervlakteken­merken van leukemiecellen, in de hoop dat de stamcel wordt vernietigd. Hierbij zijn twee opties mogelijk. Bij de ene optie wordt aan de antistof een chemomolecuul gekoppeld dat de leukemiecel vernietigt. Bij de andere optie wordt aan de antistof een molecuul gehangen die T-cellen herkent, ze bij een leukemiecel brengt en aanzet tot het vernietigen van de leukemiecel.

Studies

Om de behandeling van acute leukemie te verbeteren worden nieuwe middelen uitgetest. Dit gebeurt in Nederland in studieverband via de HOVON, een samenwerkingsverband op het gebied van hematologie van alle ziekenhuizen in Nederland. Het behandelen van patiënten in studieverband staat garant voor kwaliteit van zorg en helpt mee de behandeling te verbeteren.